Quabeek te Bingelrade


Mijn dierbaar oord: het gehucht Quabeek bij Bingelrade.

Waar ik het het verhaal van de vierde koning hoorde. Ik was nog klein , net zeven jaar. Ik had dat jaar mijn Eerste Communie gedaan. Voor het eerst mocht ik meehelpen de kerststal te bouwen. Een grote gebeurtenis voor alle kinderen van het gehucht waar ik woonde. Dit was geen kerststal in de kerk of in de school of thuis, die meestal gebouwd werd door brave uitverkoren
kindertjes. Nee, dit was de kerststal bij Nonkel Matje, iets heel bijzonders.

Alle kinderen die de Eerste Communie gedaan hadden en nog geen dertien jaar waren mochten meehelpen. Omdat ze dan nog allemaal engeltjes waren volgens Nonkel Matje. Hij had een klein boerderijtje en een heel klein vrouwtje dat Leenke heette. Ze hadden samen geen kinderen. In hun huisje rook het naar soep en pijptabak. In de gang en de keuken liepen de kippen rond te scharrelen. Hun hond heette Courage. Hij lag meestal in een leunstoel naast het fornuis te slapen.

Voor ons was dat huisje een oase van rust na die vreemde oorlogsjaren. Maar in de dagen voor Kerstmis veranderde dat rustige leventje radicaal. De goede voorkamer werd helemaal
leeggeruimd en gepoetst. Alles verhuisde tijdelijk naar de schuur, behalve de kolenhaard en een grote leunstoel. Dan op de laatste zaterdag voor Kerstmis, had nonkel Matje onze hulp nodig.

Direct na de mis trokken we naar zijn huisje. Zijn grote gele paard stond al voor de hoge kar gespannen. De kleinsten mochten erop en de anderen zwierven eromheen. Knarsend hobbelden we over de kiezelweg het dorp uit. Langs veldweggetjes speurden we naar alles wat bruikbaar was. Wintergroen, dennentakken, mos, bladeren, boomstronken, zand, stenen en dakpannen,
kapotte emmers en ketels, oude slakkenhuisjes, gekleurde scherven . Alles wat je zag en mooi of vreemd vond werd meegenomen. Nonkel Matje weigerde niets, hoe vies of gek het ook was.

Zelfs toen we een oud fornuis ontdekten ging het mee op de kar. Toen een van ons met een dode kat kwam aandragen, organiseerde Nonkel Matje ter plaatse een begrafenis. "Want", zei hij, "daar wordt het kleine Jezuskindje misschien ziek van". 
Toen de kar helemaal volgeladen was gingen we terug. Op de binnenplaats werd alles opgestapeld. Zelfs wij werden wel even stil van deze enorme puinhoop. De volgende dagen wachten we vol spanning op kerstavond. Nog altijd begrijp ik de stemming niet die in de resterende dagen over ons neerdaalde. Al die kinderogen kregen een peinzende en toch lachende glans. We waren stil en vredig. Gouden draden van weten en verwachten verbonden ons.

Die avond voor Kerstmis zo tegen zeven uur, gingen we voorzichtig en ingetogen op weg. Iedereen ging alleen. Zoveel mogelijk langs een eigen weggetje. Hoe uitgelaten en groepsgewijs we alle dagen ook waren, nu ging iedereen stil en onopgemerkt.

En deze avond ga ik ook op weg. Mijn eigen route heb ik al dagen overdacht. Eerst een stuk over het oude schoolpaadje dat achter enkele huizen en boerderijen tussen de meidoornhagen loopt. Het paadje is verhard met kiezel en kolenas. De kleine bevroren blaadjes krisperen onder mijn schoenen. Het is windstil de vrieskou prikt in mijn knieholten. De sterren stralen heel dichtbij, als gaten en speldenprikken in een blauwzwart verduisteringsgordijn. Ik ruik de coniferen die rond de tuin van de schoolmeester staan. Een hond blaft een keer, dat zal Courage wel zijn. Dan ben ik gelukkig niet de eerste. Mijn zintuigen staan wijd open, de lucht elektriseert langs mijn gezicht en polsen. Ik ben een herdersjongen in het donkere veld van Bethlehem.

Op een dunne plaats wurm ik me door de coniferenlaag. Het smalle pad door de tuin spiegelt het sterlicht. De zoete dennengeur tintelt in mijn neus. Ik ruik ook hooi en koeien dat moet de stal en de schuur van Nonkel Matje al zijn . Hier is een houten hekje waardoor ik op het erf kom. Courage blaft, die heeft me al gehoord. Ik loop het erf over en de gang door. Een zacht rood schijnsel wijst me de weg. Met stokkende adem stap ik de kerststal binnen.

Ik zie een schaap zo groot als een flinke hond en ga er naast zitten. Er ligt hooi en blad op de grond. Ik leg mijn arm over de rug van het schaap. Ik voel geen gips alleen gegolfde krullen en warmte zo zacht. Langzaam begin ik iets te zien. Er is een put met water, een emmer met een touw ligt er naast. Er zijn andere kinderen die staan of zitten. Daar is de stal, een afdak van stro en klimop.

Achterin staat ons fornuis te gloeien met rode raampjes. De os en de ezel, zo groot als een geitenbok, staan ernaast. Maria heeft een lichtblauw kleed, zit bij het kindje, dat op een bos stro ligt. Heel langzaam zwerven mijn ogen rond en herkennen alles. De hele armoede en
onze volle tevredenheid. Nonkel Matje zit heel klein in zijn grote leunstoel. Het witte korte haar schemert licht tegen de donkere rugleuning.

Hij vertelt een verhaal van de vierde Koning. De Koning die ook op weg ging. Zijn koninkrijk en troon verliet. Het Jezuskind ging zoeken. Maar wie het niet lukte om in Bethlehem te komen. Altijd waren mensen op zijn weg gekomen die om hulp vroegen. Zo reist deze Koning nog steeds de wereld rond. Dat vertelde Nonkel Matje en wij waren gelukkig. Voor ons was die vierde Koning Nonkel Matje.

5e plaats Dierbaar Oord

Geschreven door: M.J. Meijers

mjmeijers_dierbaaroord_w300.jpg
Naar de andere winnende Dierbaaroord-verhalen:
  1. Het oorlogsmonument Op de Bos in Roggel
  2. De Schipperskerk
  3. Speeltuin Klein Zwitserland te Tegelen
  4. De Piepert te Eys
  5. Quabeek te Bingelrade
Naar de homepagina van Dierbaaroord
Home

BV Limburg
BV Limburg is... | Founding Fathers | Bestuur & medewerkers | Campagne | Vacatures | Word lid!

Nieuwsbrief

Webshop

Producten
Alle producten | Anamorfose | Lichtspektakels | Literair Limburg | Zicht op Maastricht | L11 Alaaf | Mergel Urn | Canon van Limburg | LIMBVRG kleedt aan | Batteraaf | Limburgs DOEboek | Literair Limburg | Dutch Design Desk | Daar is mijn vaderland | De Cave Experience | De Gouden Peelhelm | De schat van Ambiorix | Klankatlas | Brabbelbox | Archief

Contact

Copyright, Disclaimer & Colofon